Libert, Marie-Anne (1782-1865)

From Bestor_NL
Jump to: navigation, search
Bron: Belgique horticole, 18 (1868), voorblad.

Plantkundige en ontdekker van de aardappelziekteschimmel. Geboren op 7 april 1782 in Malmédy (aanvankelijk Zuidelijke Nederlanden, later Pruisische Rijk) en daar gestorven op 14 januari 1865.


Biografie

Libert groeide in het dorpje Malmédy aan de voet van de Hoge Venen, in een gegoed middenklassegezin met dertien kinderen Haar vader was burgemeester van het dorpje. Moeder Libert, de dame Marie-Jeanne Dubois, was evenals haar man geletterd. Liberts’ ouders projecteerden voor hun intelligente dochter een toekomst in het leerlooiersbedrijf dat zij leidden. Daarom werd Libert op de leeftijd van twaalf jaar op kostschool in het Duitse Prüm gestuurd, om er haar vaardigheden in Duits en rekenen te ontwikkelen. Ze leerde er ook de viool bespelen. Eens terug in haar geboortedorp begon de jonge vrouw zich steeds actiever voor plantkunde te interesseren. Tijdens de momenten die ze niet in de familiezaak doorbracht, maakte ze verzameltochten in de streek rond Malmédy, vergezeld van een meid. Wat ze vond bestudeerde ze aan de hand van werken van onder meer Dodoens. Om de tekst te kunnen ontcijferen, leerde de aspirant-botaniste zichzelf Latijn. Ze onderhield ook een kleine tuin waar ze levende specimens van haar vondsten verzamelde.


Via via – hoe is niet duidelijk – kwam Libert in contact met de arts en plantkundige Alexandre Lejeune. Lejeune moest in opdracht van de prefect een inventaris van de flora van het Ourthedepartement opstellen.[1] Liberts werk wekte zijn belangstelling, en hij engageerde de botaniste om voor hem onderzoek te doen. Hij begeleidde haar, aldus Liberts biograaf Edouard Morren, door het aandragen van wetenschappelijke literatuur. In Lejeunes uiteindelijk publicatie, de Flore des environs de Spa, een meerdelig werk, dat tussen 1811 en 1813 verscheen, zijn inderdaad alle beschrijvingen van planten uit de streek rond Malmédy gebaseerd op onderzoek van Libert. Het werk vermeldde bovendien de ontdekking door Libert van een aantal nieuwe rozen- en bramensoorten.[2] Biografische notities over Lejeune en over Libert omschrijven de eerste steevast als Liberts leermeester.[3] Of de beide plantkundigen zich intellectueel inderdaad zo tot elkaar verhielden is niet duidelijk. In deze periode werden vrouwelijke wetenschappers vaak al te vanzelfsprekend tot assistente of pupil van hun mannelijke collega’s gereduceerd. In dit geval lijkt er meer sprake te zijn geweest van een uitwisseling met mutual benefits tussen twee wetenschappers met verschillende maatschappelijke posities. Voor de geïsoleerde en bescheiden Libert was de gevestigde geleerde Lejeune een ideale wetenschapspartner: zij kon putten uit zijn connecties om haar onderzoek naar de buitenwereld te brengen, én hij had bovendien het fatsoen om haar voor dat onderzoek naamserkenning te geven. Lejeune op zijn beurt kon dankbaar gebruik maken van Liberts jarenlange expertise in een regio waarin hij niet thuis was.


Via Lejeune kwam Libert ook in contact met de befaamde Zwitserse botanicus Augustin de Candolle, die in 1810 in opdracht van het Franse ministerie in het gebied rond Luik op studiereis was. De drie ondernamen een aantal gezamelijke excursies in de omgeving van Malmédy en Stavelot. De Candolle leek onder de indruk van de ijver en het talent van Libert. In zijn reisverslag wijdde hij althans een passage aan de onderzoekster: "C’est une femme assez remarquable […] Sans autre secours que l’Enciclopédie (sic) et la flore françoise (sic) elle est parvenue à déterminer presque toutes ses plantes même les lichens avec assez de précision."[4] En in een latere gedrukte versie van het reisverslag vatte hij zijn lof samen als: "Mlle Libert, de Malmedy, qui, dans un séjour si éloigné de toute instruction, s’est livrée à l’étude de l’histoire naturelle de son pays avec un zèle et un talent d’autant plus digne d’éloges, que ses succès n’ont nullement altéré la modestie et la naïveté de son esprit."[5] Het contact tussen de Candolle en Libert hield stand in de vorm van briefverkeer – meestal met Lejeune als tussenpersoon – uitwisselingen van plantenspecimens en informatie, en het wederzijds verlenen van gunsten.[6]


Het was de Candolle die, aldus Edouard Morren, de jonge Libert in de richting van het sporenplantenonderzoek geloodst zou hebben. Cryptogamen vormden voor de regio van Malmédy op dat moment een onontgonnen studieterrein. Libert wijdde de rest van haar plantkundige carrière aan deze organismes. Morren schreef hierover, met enige zin voor pathetiek, dat Libert zich zo volledig aan de studie van haar nieuwe domein overgaf dat ze "verzaakte aan de zachte geneugten van het huwelijksleven, als het ware om zo een nog waardiger vertegenwoordiger van deze plantengroep te zijn".[7] IJver bezat Libert in ieder geval: om haar excursies in de moerasgebieden van Malmédy zo comfortabel en ongestoord mogelijk te laten verlopen, kleedde ze zich als een landbouwersvrouw en droeg ze lange laarzen. Liberts eerste publicatie over de sporenplanten verscheen als een hoofdstuk in het tweede deel van Lejeunes Flore des environs de Spa en behandelde de groep van de varens. Ze ontdekte een bijzonder soort bijna microscopisch levermos (klasse Hepaticae) dat ze tot het nieuw genre Lejeunia (in de familie van de Jungermanniacea) doopte. Ze beschreef het nieuwe genre in een korte notitie voor de Franse reeks Annales générales des sciences fysiques. Ze beschreef ook een nieuw genus in het rijk van de fungi, de desmazierella[8], en een nieuwe genre, inoconia uit de byssineafamilie (Annales de la Société Linnéenne de Paris, 1826). Zeer bondig was ook haar notitie over het genre van de asteroma (Annales de la Société Linnéenne de Paris, 1826). Tussen 1830 en 1837 verscheen ten slotte haar magnum opus, een lijvig werk in vier volumes over de cryptogamen van de Ardennen. De publicatie zette haar naam als plantkundige internationaal op de kaart. Verschillende genootschappen eerden haar en de Pruisische keizer Friedrich-Wilhelm liet haar een gouden medaille voor haar verdiensten overhandigen.


Als onderdeel van haar cryptogamenonderzoek besteedde Libert ook aandacht aan de rol van diverse sporenplanten in de verwekking van plantenziekten. Ze identificeerde in augustus 1845 als een van de eersten de schimmel dat verantwoordelijk was voor de aardappelziekte, die in deze periode misoogsten veroorzaakte als de Botrytis farinacea die enige jaren voordien door de Zweedse botanicus Elias Magnus Fries beschreven was.[9] Ze stelde voor de oömyceet te herdopen tot Botrytis vastatrix (huidige naam Phytophthora infestans).


Libert was het eerste vrouwelijk lid van de Société royale de botanique de Belgique – maar omdat Malmédy vanaf 1815 officieel tot Pruissisch gebied behoorde kon ze enkel membre associé worden. Ze bezat ook lidmaatschappen van een groot aantal andere Belgische genootschappen zoals de Société des sciences naturelles de Liège, de Société royale des sciences médicales et naturelles de Bruxelles en van genootschappen in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk zoals de Société Linnéenne de Paris (vanaf 1820). Libert onderhield contacten met wetenschappers in Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland en België. In 1836 zetelde ze als unaniem verkozen voorzitter van de sectie Sciences naturelles en als algemeen vicevoorzitter van het Congrès scientifique in Luik. Het genre Libertia in de familie van de Iridaceae werd naar haar vernoemd.


Hoewel ze haar leven lang steeds plantkundig onderzoek uitvoerde, schoof Liberts interesse vanaf de jaren 1840 geleidelijk naar de minder fysisch inspannende studie van Latijnse taalkunde en literatuur, geschiedschrijving en linguïstiek. Het herbarium van Libert werd na haar dood aan de Rijksplantentuin verkocht. In 1965, honderd jaar na haar overlijden werd de plantkundige met een monument geëerd.


Publicaties

Barthélémy Du Mortier geeft in zijn necrologische notitie een lijst van publicaties van de hand van Libert: "Notice sur Mlle M.-A. Libert", 410-411.


Bibliografie


Noten

  1. "Tableau méthodique du règne végétal du département de l’Ourthe", in: Statistiques du gouvernement, 1806.
  2. Het gaat om de rubus arduennensis, de rubus montanus, de rosa nemorosa en de rosa umbellata.
  3. Dictionnaire des femmes belges stelt verkeerdelijk dat Lejeune en Libert huwden en dat Libert haar man bijstond in zijn werk. Libert bleef haar leven lang vrijgezel en Lejeune was een pas gehuwd man toen hij Libert ontmoette. "Libert, Marie-Anne", in: Gubin, Eliane, Jacques, Catherine, Piette, Valérie, en Puissant, Jean, Dictionnaire des femmes belges: XIXe et XXe siècles, Brussel, 2006, 375-376.
  4. Handgeschreven reisverslag, getranscribeerd door J. Beaujean in: "Le voyage de Liège de A. P. de Candolle 2 juin -2 octobre 1810", in: Lejeunia. Revue de Botanique, ( 2008), nr. 184.
  5. Rapport sur un voyage botanique, 1813, 8-9-10. Dit document kan eveneens geraadpleegd worden in het artikel van Beaujean "Le voyage de Liège de A. P. de Candolle 2 juin -2 octobre 1810", in: Lejeunia, 62 of in Mémoires de la société d’agriculture du département de la Seine, Parijs, 1811, 219.
  6. Zie Beajean "Le voyage de Liège de A. P. de Candolle 2 juin -2 octobre 1810", voor een aantal brieven tussen Lejeune, de Candolle en Libert.
  7. "Melle Libert se rendit si complètement à ces raisons, qu’elle renonça aux douceurs du mariage, comme pour être plus dignement la représentante de cette classe de végétaux." Uit: C. Morren, Notice sur la vie et les travaux d’Augustin-Pyrame De Candolle, membre correspondant de l’Académie Royale des Sciences et Belles-lettres de Bruxelles. Mémoires pour servir aux éloges biographiques des savants de la Belgique et l’histoire des sciences dans ce pays, Brussel, 1843. Ook geciteerd door Beaujean, "Le voyage de Liège de A. P. de Candolle 2 juin -2 octobre 1810", 6.
  8. Annales des sciences naturelles 1829.
  9. Een aantal Belgische, Franse én Engelse wetenschappers hebben min of meer ter zelfder tijd maar onafhankelijk van elkaar deze schimmel ontdekt.