Bommer, Charles (1866-1938)

From Bestor_NL
Jump to: navigation, search
Bron: De Wildeman, E., "Charles Bommer (1866-1939)", in: Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique, 71 (1939), nr. 2, 91-99.

Plantkundige en medewerker in de Nationale Plantentuin van België. Geboren op 13 september 1866 in Brussel en daar gestorven op 21 mei 1938. Zoon van Jean-Edouard Bommer en Elise Destrée.


Biografie

Charles Bommer leek aanvankelijk een andere koers te zullen inzetten dan zijn ouders, beiden bekende botanici, toen hij zich rond 1887, na zijn kandidatuursjaren in de natuurwetenschappen aan de Universiteit van Brussel, inschreef voor de licentiaatsopleiding dierkunde. In 1889 kreeg de passie van het ouderpaar alsnog vrucht in zoon Bommer: met het diploma dierkunde op zak veranderde Charles van koers en begon hij studies in de plantkunde. In het Institut de Botanique van Leo Errera, een huisvriend van de Bommerfamilie, en onder begeleiding van assistent Jean Massart werkte hij vervolgens aan een proefschrift. Hij verdedigde succesvol in 1894. Met het overlijden van vader Bommer het daaropvolgende jaar werd Charles als oudste zoon de kostwinner in huis. Hij zocht en vond snel een job als adjunct-natuurkundige in de Nationale Plantentuin van België waar zijn vader departementshoofd was geweest (1 januari 1899). Tegelijk benoemde men hem tot docent plantkunde aan de Universiteit van Brussel.


Als docent stond Bommer in voor de kleinere cursussen botanische geografie en paleontologie en biotechnologie. Hij maakte snel carrière: in 1897 werd hij tot buitengewoon hoogleraar gepromoveerd en in 1902 tot gewoon hoogleraar. In de plantentuin was Bommer verantwoordelijke voor de uitbouw van het nieuwe bosbouwkundig museum (het Musée Forestier), dat door directeur Durand was voorzien. Hij bestudeerde hiervoor bossen in binnen- en buitenland. Arboricultuur en bosbouwkunde konden op ruime belangstelling rekenen bij de bestuurlijke autoriteiten die zich van inlandse houtproductie wilden verzekeren voor de mijnbouw. Om diezelfde reden werd Bommer door de Algemene directie van Waters en Bossen (ministerie van Landbouw) belast met het inrichten van een arboretum in Tervuren. In 1905 publiceerde hij ter afsluiting van zijn organisatorisch werk een verzamelstudie over het arboretum. Bommer stond in de Plantentuin ook in voor de reorganisatie van het botanisch museum en de oprichting van een plantengeografisch museum.[1].


In 1902 werd Bommer gepromoveerd tot conservator. Ook daarna bleef hij voornamelijk verantwoordelijk voor projecten rond dendrologie en fytogeografie, twee domeinen waarop hij ondertussen, ook in zijn onderzoek, een expertise had ontwikkeld. In 1904 richtte hij samen met Massart een Sectie Fytogeografie binnen de Société royale de botanique de Belgique op. Hij stond ook samen met Massart in voor het opstellen van Les aspects de la végétation de la Belgique, een groots opgezette publicatie onder de auspiciën van de Plantentuin. In dit werk stelden de beide auteurs een aantal richtlijnen op voor de studie van fytogeografie en wezen ze op een aantal lacunes in het onderzoek tot dusver. In 1910 gaf hij in samenwerking met graaf Visart de Bocarmé een Rapport sur l’introduction des essences exotiques en Belgique uit, een standaard werk in de dendrologie. Tijdens zijn onderzoek maakte Bommer gretig en overtuigd gebruik van fotografie. Hij verzamelde zelf, in expedities in binnen- en buitenland heel wat fotografische documenten over bomen en liet het Tervuurs arboretum fotografisch in kaart te brengen via opnames vanuit een vliegtuig. Binnen de Plantentuin richtte Bommer op eigen initiatief een fotografielab op en moedigde collega-wetenschappers aan om van de mogelijkheden van fotografie gebruik te maken. Ook sprak Bommer de wens uit dat overheden van verschillende landen hun natuurkundige collecties op de gevoelige plaat zouden vastleggen en ter beschikking stellen in een netwerk van internationale wetenschappelijke uitwisseling. In 1930 verliet Bommer de Plantentuin en ging hij op pensioen. Enige tijd later werd hij ook als hoogleraar tot het emeritaat toegelaten.


Bommer was ondervoorzitter van de Société centrale forestière de Belgique en verschillende malen voorzitter van de Société royale de botanique de Belgique. Hij zetelde ook in de Hogere Raad voor Waters en Bossen.


Publicaties

Bommer liet in totaal 47 publicaties na. Veel van Bommers onderzoek bleef, aldus collega De Wildeman, zonder echte publicatie-output. Zo kreeg zijn dendrologisch onderzoek, ondersteund met een rijke verzameling fotomateriaal uit binnen- en buitenland nooit vorm in een afgewerkte wetenschappelijke publicatie. Een overzicht van Bommers publicatie wordt gegeven in De Wildeman, E., " Charles Bommer (1866-1939)", in: Bulletin de la Société Royale de Botanique de Belgique, 71 (1939), nr. 2, 97-99.


Bibliografie


Noten

  1. Door gebrek aan subsidies bleven deze laatste twee projecten deels of helemaal onuitgevoerd.